Wordt het een Debutroman? Het Bijlmermeisje



Alleen op de wereld


’S ochtends voordat ik naar school ga, vlecht mijn moeder altijd mijn haar. Ik draai de pianokruk dan omhoog, zodat ze er goed bij kan. Elke dag doet ze mooie strikken in mijn haar. Net zulke mooie als bij Tyra. Ze heeft laatst op de markt van Ganzenhoef doorschijnende grote strikken gehaald, daar kan je zelfs bloemen mee maken. Het is heerlijk als ze aan mijn haar zit.

Ik kijk dan naar de boekenkast en zing over alle titels die ik in de kast zie staan. Mijn beste liedje gaat over “alleen op de wereld”. Ik voel me altijd net als dat jongetje, alleen op de wereld. Gelukkig ben ik niet alleen met mijn moeder en Matthijs, mijn grijze, zachte, langharige kat.

Maar ja wat als mama wat overkomt? Wie moet er dan voor mij zorgen? En ze doet vaak enge dingen. Gaat vaak ’s avonds weg. Ik mag dan gelukkig in haar bed liggen, dat voelt veiliger dan in mijn eigen grote, lege kamer. Ik kan dan altijd pas echt lekker slapen als ze weer thuis is en ik haar armen om me heen voel. Maar als ik dan de volgende dag hoor dat er een auto haar wilde aanrijden bij de metro, waar niemand was, gewoon zomaar en ze achter het hek in de bosjes was gesprongen, zodat de auto haar niet kon raken. Ook vertelde ze de volgende dag eens dat er een meneer in de metro waar ze alleen in een coupé zat, een sinaasappel ging schillen met een mes zo groot als een zwaard, dan ben ik steeds banger als ze zonder mij weggaat.

Mijn liedje is klaar en mama trekt nog wat aan mijn strikken.


Beneden staan Marieke en Tyra te roepen dat ik moet komen, want wij fietsen samen naar school. We fietsen langs de Ganzenhoef, langs de mannen zonder neuzen. De geur van de rotte vis van de markt van gister walmt om ons heen. Ik hoop dan altijd dat hoe mooier ik me aankleed en hoe mooier mama mijn strikken maakt, hoe mooier de wereld wordt. Wat zou dat fijn zijn als ik op mijn mooist ben, ik daarmee de wereld mooier zou maken?

We fietsen het groen in, over het rode fietspad. Mijn band kraakt op de losse steentje van het beton. Je wilt hier echt niet vallen. We fietsen langs de flat van Jennifer, zij doet me altijd denken aan Pipi langkous. Ze zit bij ons in de klas met haar rooie haar en sproetjes. Niemand speelt echt met haar, ik vind haar wel heel aardig.

Ik kijk naar de mooie wapperende strikken van Tyra, zij heeft een roze jurk aan en met haar glimmend zwarte haar, lijkt ze wel een oosterse prinses.


We zijn op school. Ineens herinner ik me het telefoontje op school van gister. Ik heb deze week als taak - telefoon opnemen voor de juf – Ik kreeg een hijgende man aan de lijn, hij hijgde zo lang dat ik al bijna op wilde hangen tot hij ineens zei, wat is je naam? En hoe laat kom je uit school? Dan wacht ik na school op je.

Ik werd er zo bang van dat juf mijn moeder heeft gebeld, zodat ze me kwam ophalen. Ik heb de hele tijd zitten kijken naar een man. Hoe wist hij nou wie ik was en hoe ik eruitzag? Juf zei dat ze wel vaker bellen naar school en dat ze de politie ervoor bellen, maar dat die niks doen en ik me niet zo’n zorgen hoef te maken.

Wij mogen kiezen op school wat we willen doen die dag. Ik vind rekenen stom en doe het liefst aardrijkskunde. Dan mag je als de matjes vrij zijn op een matje de juiste vlag bij het juiste land zetten. Ik ben er heel goed in. Ik zou al die landen graag bezoeken.

De kinderen uit mijn klas komen ook uit allerlei landen en elke dag vertellen we over onze dag van gister aan het begin van de les. Het is zo leuk te horen dat bij iedereen het leven anders is.

Michael is Jehova getuige en komt uit Israël. Hij heeft zwarte krullen en lieve bruine ogen, maar mag nooit bij mij thuiskomen of op mijn verjaardag. Hij stopt samen met Raoul altijd briefjes in mijn laatje of geeft soms een kusje op mijn wang ineens. Mijn moeder vindt Michael heel leuk, maar ik vind Raoul leuk. Raoul mag wel vaak met ons mee naar huis. Raoul is heel grappig en stoer. Hij kijkt altijd stout en voetbalt in de pauze met de jongens. Bij mij thuis spelen we vader en moedertje.

In de klas voel ik me veilig.


Altijd als ik na school thuis kom komt Matthijs bij me op mijn groene deken op de bank knorren en knuffelen. Ik kan uren zo met hem zitten, zijn zachte haren, zijn gekwijl en geknor maken dat ik me zijn redder voel in nood. Ik snap wel hoe hij zich voelt na een hele dag alleen.

Mijn moeder gaat vanavond weer weg, nadat ik in bed lig. Het is zo naar als mama weggaat en ik alleen thuis moet blijven. Wat als er nou brand komt of als er weer ingebroken wordt. Ik weet dat ik dan de Politie moet bellen, maar die doen nooit wat. Wat als de inbreker mij vermoord of dat ik stik van de brand, dan weet mama niet dat ik dood ben, denkt ze daar dan nooit aan.

Ze zegt dat ik een lieve dochter ben en haar alles ben en dat het zo bijzonder is dat ik zo’n makkelijk kind ben en ze zoveel van me houdt.

Met Matthijs bij me voel ik me veilig als ik de deur in het slot hoor vallen en haar hakken wegklikken op het beton van de gallerij.